Reisverslag Chichicastenango, Totonicapán, Antigua, Guatemala
terug naar reisverslagen overzicht

La Ruta Maya
La Mesilla
Er volgt een avontuurlijke rit van een paar kilometer door een stukje niemandsland. Het wegdek is vreselijk slecht, net als de wegligging van de Amerikaanse roestbak waarin ik zit. Ik durf niet tegen de deur aan te leunen want ik ben bang dat-ie eruit valt. De bestuurder kijkt grimmig over de enorme motorkap naar de weg en geeft continu plankgas. Na een kwartier zijn we al bij de Guatemalteekse grens, waar we uit de taxi's stappen.
Bij de grensovergang La Mesilla is het ongelofelijk druk en terwijl Sanne met onze paspoorten in het douanekantoortje verdwijnt proberen wij ervoor te zorgen dat onze bagage niet gejat wordt. Het gaat even duren, maar op straat is ondertussen veel te zien: handelaars, agenten, moeders met kinderen, maar ook dieven, bedelaars en vechtersbazen. En iedereen heeft zijn eigen zaakjes af te handelen.
Vijftig meter na de grensovergang staat een antieke Mercedesbus te wachten. Achter het stuur zit een vriendelijke kleine man met zwart haar en een trotse snor. Het is Carlos, die ons de komende twee weken door Guatemala gaat vervoeren. Als we met z'n allen in de bus zitten zijn we toch wel een beetje opgelucht. Dat het nog meer dan een uur zal kosten om uit de mensenmassa los te maken kan ons niet meer schelen. Hoera, we zijn in Guatemala!
Chichicastenango
De tocht voert door een schitterend bergachtig gebied, maar het is hier helaas erg gevaarlijk. Er schijnen veel berovingen en ontvoeringen plaats te vinden. Daarom krijgt onze bus (ongevraagd) een politie-escorte vanaf de grens naar het eerstvolgende grote kruispunt, zo'n vijftig kilometer verderop. Ook het verkeer blijkt niet geheel veilig want halverwege de rit moet chauffeur Carlos zó hard remmen om een tegenligger te ontwijken dat remmen van de bus hun druk verliezen. We moeten aan de kant van de weg wachten tot de remdruk weer op peil is. De rest van de rit verloopt zonder problemen.
We rijden door naar het stadje Chichicastenango, dat bekend staat om de grootste markt van het land die hier iedere zondag — en dat is morgen — wordt gehouden . We willen de vele toeristen vóór zijn en daarom overnachten we in de stad. Het hotel blijkt een prachtige verzameling kamers en appartementen, allemaal verschillend, sommige met open haard, andere met een balkon of veranda. We eten wat in het restaurant om de hoek, lopen nog even naar het plein waar iedereen druk bezig is met het bouwen van de marktkramen en duiken daarna ons bed in: morgen moeten we al om half zes op!
Op de markt Een paar uur later wrijf ik de slaap uit mijn ogen en kijk eerst naar de wekker en dan naar buiten. Het is zes uur en het regent. Dat is erg jammer, want de markt van Chichicastenango is juist zo mooi vanwege de kleuren van de mensen, het textiel en het fruit. Maar we gaan toch op pad en merken dat ook de druilerige regen en de donkere wolken hun eigen charme hebben.
We lopen door de drukte naar de eigenaardige witte parochiekerk Santo Tomás die bij dit regenachtige weer grijs en mistroostig oogt. Op de trappen van de kerk worden onafgebroken mystieke Mayarituelen uitgevoerd door sjamaan-priesters terwijl in de kerk de dukbezochte zondagsdienst begint. Chichicastenango is een vreemde en indrukwekkende plaats.
Onderaan de vulkaan Rond het middaguur reizen we weer verder. Na een uur rijden bereiken we het hooggelegen stadje Sololá waar we even pauzeren. Een mooie afdaling brengt ons naar de oever van het vulkaanmeer Atitlán. Vanuit Panajachel nemen we de watertaxi naar de overkant van het meer, waar het dorp San Pedro La Laguna ligt. Het weer is nog steeds dreigend en donker, maar dat maakt het landschap alleen maar indrukwekkender. Het meer wordt aan de zuidkant gedomineerd door drie enorme vrijstaande vulkanen: de Atitlán (3557 m), de Tolimán (3158 m) en de San Pedro (3020 m).

San Pedro is een soort hippie-enclave, een vluchtoord voor vermoeide reizigers en new-agejongeren, die hier soms maandenlang blijven hangen. Overal in het dorp wijzen handgeschilderde borden met paarse letters naar vegetarisch eten, therapeutische massage en goedkope wiet. Maar je kunt je ook met 'serieuzere' zaken bezighouden, zoals Spaans leren, salsa dansen of vulkanen beklimmen. We slapen de komende twee nachten in een hotel dat lijkt op een militair kamp, maar in de kantine ('Brenda's Place') is de sfeer gemoedelijk en het eten erg smakelijk.
We zijn een beetje lacherig als we 's avonds met z'n allen op onze kousen naast elkaar op de dansvloer staan. We krijgen salsa-les en dat begint uiteraard bij de basispassen. Nu wordt het verschil tussen de Nederlandse en de Guatemalteekse heupen pijnlijk duidelijk, hoewel een paar meiden en een swingende Belg onmiskenbaar over salsa-talent beschikken! Ik doe m'n best, meer kan ik er niet van zeggen, maar we hebben erg veel lol en daar gaat het om.
Om half zeven sta ik op om een ontspannende massage te ondergaan: da's nog eens prettig wakker worden! Twee uur later zijn de andere slaapkoppen ook uit bed en na een stevig ontbijt verzamelen we op het grasveldje bij het hotel. Er worden vandaag twee wandelingen georganiseerd: een zware en een lichte. Ik heb me aangemeld voor de zware. Helaas is het wegens de slechte weersomstandigheden van de afgelopen dagen niet veilig om de vulkaan de San Pedro te beklimmen. We zullen onszelf tevreden moeten stellen met een klim naar een bergtop tegenover de vulkaan.

Het eerste stuk gaat met de pick-uptruck en dan te voet verder omhoog, onder begeleiding van een gids. De zon is weer gaan schijnen en we zweten we ons te pletter, want de klim is behoorlijk intensief. Als we na drie uur zwoegen eindelijk bovenop de top staan is de voldoening groot. Ik eet eerst een meegebrachte bananencake op en kijk dan rond. Je kunt vanaf hier het hele Lago de Atitlán zien liggen, de vulkanen erachter en ver onder ons het dorp San Pedro La Laguna. Prachtig is het! Na een korte rustpauze dalen we weer af in ongeveer de helft van de tijd.
Morgen gaan we op bezoek bij een Guatemalteekse familie in Totonicapán. Om toch wat gespreksstof te hebben volgen we in San Pedro een les Spaans. Helaas stelt het niet veel voor, de leraar heeft er weinig zin in vanavond en dus leren Nicole en ik niet veel meer dan '¿Cómo te llamas?' en 'Buenos Días'. Daarmee zullen we het moeten doen. En anders hebben we nog twee handen en twee voeten én een woordenboekje.
Totonicapán
Nadat de boot ons heeft teruggebracht naar Panajachel laden we al onze bagage weer in de bus van Carlos. Na nog een blik over onze schouder naar de vulkanen en het meer gaan we op weg naar Totonicapán. Het is niet zo ver en rond het middaguur stappen we uit bij het Casa de la Cultura, een gemeenschapshuis van waaruit allerlei culturele projecten worden georganiseerd. We lunchen in de stad onder het genot (nou ja..) van de muziek van een marimba-orkestje en dwalen daarna nog wat rond in Totonicapán. Aan alles is te zien dat dit een vrij arme stad is, zelfs naar Guatemalteekse begrippen. De huizen en de straten zien er rommelig en verwaarloosd uit.

Aan het einde van de middag komen we weer bijeen in het Casa de la Cultura waar we een aantal kleine groepjes van twee of drie personen vormen. In en rond Totonicapán wonen gastgezinnen die meedoen aan een programma waarbij ze tegen vergoeding voor één nacht kost en inwoning verlenen aan toeristen. Het is een vorm van ontwikkelingshulp die twee verschillende culturen met elkaar in contact brengt. Reisgenoot Jan en ik gaan logeren bij Juana, een verlegen jonge moeder die haar kleine kindje in een kleurige wikkeldoek op haar rug draagt.
Logeren bij Juana Juana neemt ons mee in de bus die ons buiten de stad aan de kant van de weg afzet, waarna we nog even moeten lopen. Hier woont ze, in een armoedig huisje van steen en golfplaat, midden tussen het maïs. Buiten Juana en haar twee jaar oude dochtertje Marina bestaat het huishouden nog uit Juana's goedlachse zus Anna en hun moeder Hilaria, waarvan we aannemen dat ze weduwe is. We maken kennis met de dames, helpen met afwassen en houthakken en komen ondertussen wat meer te weten over het dagelijks leven van deze schuchtere en vriendelijke mensen.
De zussen werken allebei thuis, Juana is spinster en Anna is weefster. Ze laat trots haar houten weefgetouw zien dat in een aparte kamer in het huis staat opgesteld. Ze vertellen dat hun zwager de weefstoffen eens per week naar de markt in Totonicapán brengt. Verder hebben ze nog een koe, een geit en een hond en een heel klein beetje land dat net voldoende maïs opbrengt voor hun dagelijkste behoefte. Het huisje heeft electriciteit en redelijk helder water uit de pomp.
Een feestmaal Terwijl Hilaria druk bezig is met koken vermaken we ons kostelijk met de kleine en slimme Marina, die ieders aandacht opeist met haar streken en onuitputtelijke energie. Vooral de meegebrachte strandbal vindt ze te gek! Als Marina, Jan en ik moe zijn van het spelen gaan we eten: gekruide aardappels, gefrituurde kip, tortilla's en broccoli. Het is erg lekker en ik kan nauwelijks geloven dat alles op één klein houtvuurtje is klaargemaakt. Na het eten wassen we af en kletsen we nog wat met Anna, voor zover onze beperkte kennis van het Spaans dat toelaat.
Het slapen gaat redelijk, ondanks de kou, de vochtigheid en het ontbreken van een matras in mijn bed. We staan om half zeven op en kunnen meteen aanschuiven voor flensjes met stroop en koffie. We spelen nog even met Marina, maken een paar foto's en dan is het weer tijd om terug te keren naar Totonicapán. Nadat we afscheid hebben genomen van de familie brengt Juana ons terug naar Casa de la Cultura waar we haar bedanken en gedag zeggen. We ontmoeten de andere reisgenoten weer en delen onze ervaringen.
Rituelen in Iximché
Halverwege de reis naar Antigua verlaten we de 'Carretera Interamericana' bij Tecpán, waar we Callista ontmoeten. Ze is sjamaan en ze gaat vanmiddag samen met ons een traditioneel Mayaritueel uitvoeren in Iximché, een eeuwenoude heilige plaats van de Kaqchikel-indianen. Sanne heeft alle ceremoniële toebehoren al vooraf gekocht: kaarsjes in allerlei kleuren, briketten om een vuurtje van te stoken, cacao-tabletten, maïs, suiker en kleine flesjes alcohol.
Het ritueel zelf, waaraan ongeveer de helft van de groep meedoet, is een soort inleiding tot de Mayagodsdienst en tegelijk een algemeen bedankgebed aan de aarde, onze voorouders en de vier windstreken. We staan in een grote kring rond het vuur dat we hebben gemaakt en luisteren naar Callista, die voornamelijk Engels spreekt. Af en toe gooien we een kaarsje in de vlammen om een boodschap naar de hemel te sturen of om suiker, cacao en maïs als 'aardse produkten' uit dankbaarheid terug te geven aan de goden.
Antigua
De oude Spaanse koloniale stad Antigua was ooit de hoofdstad van Guatemala en het bestuurlijk en militair centrum van heel Midden-Amerika. De stad ligt tussen drie grote vulkanen in en werd in de 18e eeuw een paar keer zwaar getroffen door uitbarstingen en aardbevingen. De genadeklap was de grote aardbeving van 1773 die Antigua voor de laatste keer in puin legde. De Spanjaarden verlieten de stad en bouwden op de plek van het huidige Guatemala-stad hun nieuwe hoofdstad. Pas in de 20ste eeuw werd Antigua 'herontdekt' en in 1979 werd de stad als cultureel erfgoed op de lijst van UNESCO gezet.

We komen in de loop van de middag aan in ons hotel, dat aan de rand van de oude stad ligt. Na een warme douche heb ik weer nieuwe energie om op ontdekkingstocht te gaan. Onderweg naar het Parque Central ervaar ik het surrealistisch karakter van deze oude stad. Overal staan half of helemaal ingestorte kerken terwijl de enorme vulkaan de Agua boven de stad uittorent. Het is vanmiddag helaas vrij bewolkt en ik hoop dat er morgen beter licht is om te fotograferen. Aan het einde van de middag tref ik een paar reisgenoten in het prachtige koloniale Cafe Condesa aan het marktplein.
De Pacaya bedwongen!
Het is nog donker als we om half zes 's morgens onder de grote poort van het hotel staan te wachten. Ik loop snel nog even naar de overkant van de straat, waar de bakker al open is. We gaan vandaag met een kleine groep de vulkaan de Pacaya beklimmen en daar krijg je vast honger van! Even later komt een bestelbusje voorrijden dat ons naar de Pacaya brengt op ongeveer een uur rijden vanaf Antigua. De route schijnt onveilig te zijn vanwege berovingen en daarom gaat er een gewapende begeleider mee.
Onze beklimming begint in het dorpje San Francisco (1900 m), ongeveer halverwege de helling van de Pacaya. Vanaf hier loopt een ervaren berggids mee die ons naar de top van de vulkaan op 2550 meter zal begeleiden. Het eerste stuk is een niet al te zware wandeling door mooie groene bossen, maar als we na een uur aankomen bij een grote kale vlakte breekt de hel los: flarden zwaveldamp jagen over de helling en het zicht wordt minder dan 25 meter. De ondergrond is inmiddels veranderd in een maanlandschap van zwarte lava. De gids schreeuwt dat de top nog minder dan een half uur lopen is. Weten wij veel dat het échte werk nog moet beginnen...

De kegeltop van de Pacaya is zo'n tweehonderd meter hoog en bedekt met een laag lavagruis waarin we slechts met moeite vooruitkomen. Het pad naar de krater is zeer steil en de wind blaast me bij iedere stap bijna van de richel af. Stapje voor stapje klauteren we achter elkaar omhoog, met een pauze na tien passen. Als we de kraterrand eindelijk hebben bereikt, is de wind aangewakkerd tot een storm die grote hoeveelheden zwaveldamp meevoert. De maffe gids schreeuwt van plezier en schudt ons allemaal de hand. "Congratulations! You made it all the way to the summit!"
Onder normale omstandigheden kun je in de krater turen en de hete lava zien borrelen. De Pacaya is immers een van de twee actieve vulkanen in Guatemala. We merken wel dat de grond erg warm is: als je je hand in een holte steekt is het zelfs gloeiend heet! We genieten even van onze overwinning op deze halsstarrige vuurberg, maar dan wordt de zwaveldamp ons echt te veel en gaan we terug naar beneden. De gids doet voor hoe je op de losse lavakorrels van de steile helling kunt afglijden, alsof het sneeuw is. En terwijl we met een rotvaart van de vulkaantop roetsjen hebben we ineens vrij uitzicht op de wereld onder ons!
Terug in Antigua 's Middags ga ik een kijkje nemen bij de Guatemalteekse bussen op het centrale busstation en daarna verdwalen op de enorme markt. Antigua is behoorlijk toeristisch, maar omdat het verboden is uithangborden en reclame op te hangen is het straatbeeld toch rustig. De bank, het postkantoor en een internetcafé staan op mijn lijstje. Bij een boek- en kunsthandel aan het Parque Central zie ik een prachtig gekleurde steendruk hangen die ik een half uur later opgerold in een kartonnen koker onder mijn arm meedraag. Tevreden met mijn aankoop tracteer ik mezelf nog maar eens op koffie met gebak bij Cafe Condesa.

Antigua is de modernste en meest westerse stad van het land en je kunt er goed stappen. Vandaag is Nicole jarig en dat gaan we vieren in Riki's Bar, een soort studentenkroeg waar veel jonge Amerikanen komen die in de stad Spaans studeren. Daarna stappen we door naar La Casbah, de hipste danstent van de stad, gevestigd in de ruïnes van een oude kerk.
Een tijdje later zien we opeens de witte brede trap van Tempel V uit het oerwoud opdoemen. Het beklimmen ervan is niet mogelijk omdat de trap gerestaureerd wordt, maar aan de zijkant van de tempel zijn houten trappen gemaakt. Vanaf boven heb je een goed uitzicht ovder de tempels van de centrale acropolis, het grootste complex van Tikal. De bezichtiging van de acropolis met zijn wirwar van plateau's, tempels en trappen is het laatste onderdeel van de rondleiding. En na het voeren van de neusbeertjes keren we moe van het lopen en alle indrukken weer terug naar bezoekerscentrum.
Stèles en bananen
Vandaag gaan we weer terug naar Guatemala en het is een flink eind naar Río Dulce. Halverwege ligt in de zinderende Motoguavallei Quiriguá, een klein complex van Mayaruïnes omzoomd door woudreuzen. De bouwwerken hier zijn niet zo bijzonder maar de tientallen hoge stèles zijn dat wel. Sanne deelt muntjes van tien centavos uit waarop een afbeelding staat van een van de stèles van Quiriguá en ze vraagt of we het echte exemplaar kunnen vinden. Dat kost ons niet zoveel moeite en nadat we de grote steen hebben gevonden rusten we uit en eten ons brood op. We maken ook nog een wandelingetje door een bananenplantage van Delmonte.
Hacienda Tijax Río Dulce blijkt een stoffig en rumoerig plaatsje te zijn aan de oever van de gelijknamige rivier. We stappen uit de bus en laden al onze spullen in twee bootjes, die ons naar de overkant van de brede rivier brengen. Diep verscholen tussen de mangrovebossen ligt de jungle-lodge Hacienda Tijax, die uit een verzameling eenvoudige houten huisjes bestaat. Ze staan op palen middenin het moeras en zijn onderling verbonden met loopbruggen en vlonders. In het midden staat een grotere hut met een toilet en een doucheruimte.

rondkruipen in deze groene jungle blijkt al snel: Mik en Katelijne vinden een zwarte schorpioen die vakkundig naar de andere wereld wordt geholpen door een jongen van de lodge. Nog geen uur later is het raak in huisje 'Pijije', waar Nicole een enorme zwarte loopspin aantreft die op raadselachtige wijze ín haar klamboe is gekropen! Nadat we de spin hebben verjaagd keert de rust weer, maar Nicole en Nienke hebben niet veel zin meer om in dit huisje te overnachten. Jan en ik besluiten onze 'heldenmoed' te tonen en bieden aan om van slaapplaats te wisselen: onze hut staat hoger en droger en is waarschijnlijk minder aantrekkelijk voor ongedierte.
Livingston I presume?
Na een ongestoorde nachtrust worden we vroeg gewekt door het ontwakende oerwoud. Eerst een stevig ontbijt en dan opnieuw de boot in voor een tocht over de schitterende Río Dulce. We varen langs de uitgestrekte mangrovebossen aan de oevers en observeren de flora en fauna van dit uitgestrekte waterland. We volgen de rivier stroomafwaarts, door een nauwe passage met hoge rotswanden tot aan de monding in de baai van Honduras.

We meren aan in het haventje van Livingston, een vrolijk gekleurd Caraïbisch uitziend stadje waar de voornamelijk Creoolse bevolking geen enkele overeenkomst vertoont met de rest van de Guatemalteken. Uit de winkeltjes en restaurants klinkt — hoe kan het ook anders — reggaemuziek. We kijken een beetje rond, gaan nog even naar de bank en lunchen uitgebreid bij visrestaurant 'Happy Fish' in de hoofdstraat. Daarna lopen we terug naar de boot, die ons in een uurtje weer terug naar Tijax brengt.
Flores We pakken onze bagage snel bijeen en varen het laatste stukje naar de zuidoever van de rivier, waar de bus klaarstaat om ons naar Flores te brengen, een stad in de woeste noordelijke provincie Petén. Het is ongeveer 200 kilometer rijden maar de weg is uitstekend, zodat we al om een uur of vijf in ons hotel aankomen. Flores is een klein stadje dat op een eiland in het meer van Petén Itzá ligt en is door middel van een korte dam met het vasteland verbonden. Flores is niet mooi, maar het is enige plaats van betekenis in de buurt van de Mayastad Tikal, die we morgen gaan bezoeken.
Tikal in de mist
In tegenstelling tot veel andere Mayasteden is Tikal nog bijna helemaal door het regenwoud bedekt en dat geeft een heel aparte sfeer. Om deze goed tot zijn recht te laten komen moet je vroeg zijn en dus staan we om half vijf op. Vanaf Flores is het nog ruim een uur rijden naar de ingang van het Tikal-reservaat waarin de ruïnes liggen. We gaan op pad voor een stevige wandeling door de jungle, waarbij we onderweg regelmatig op indrukwekkende overwoekerde Mayatempels stuiten. In de bomen schreeuwen brulapen naar elkaar terwijl tussen de wortels enorme tarantula's schuilen. Soms zien we hoog in de bomen groepen toekans zitten!
Hoewel de ochtend inmiddels is aangebroken, merken we daar niet zoveel van door de dichte mist die in het woud hangt. Als we na een uitputtende klim bovenop de 64 meter hoge Tempel IV staan, blijkt pas hoe dichtbegroeid het complex is: alleen de toppen van de hoge tempels steken boven de bomen uit. Het levert wel een érg mooi uitzicht op. We dalen weer af en lopen door naar 'Mundo Perdido', een zeer oud en verweerd gedeelte van Tikal waarover de archeologen nog maar weinig weten.

Een tijdje later zien we opeens de witte brede trap van Tempel V uit het oerwoud opdoemen. Het beklimmen ervan is niet mogelijk omdat de trap gerestaureerd wordt, maar aan de zijkant van de tempel zijn houten trappen gemaakt. Vanaf boven heb je een goed uitzicht ovder de tempels van de centrale acropolis, het grootste complex van Tikal. De bezichtiging van de acropolis met zijn wirwar van plateau's, tempels en trappen is het laatste onderdeel van de rondleiding. En na het voeren van de neusbeertjes keren we moe van het lopen en alle indrukken weer terug naar bezoekerscentrum. Auteur Dimitri van den Heuvel (oktober 2003)
|