Reisverslag Isla Colón, Panama
terug naar reisverslagen overzicht

Met Bob Marley rijden we weg. Ik ben net een taxibusje ingestapt in het centrum van Bocas stad, de hoofdstad van het populaire Isla Colón dat deel uitmaakt van de archipel Bocas del Toro. De bestemming wordt het strand Bocas del Drago, naar zeggen het mooiste strand van het eiland, aan de westkant. Bob Marley hoorde ik je denken. Inderdaad, of iets preciezer de muziek van Bob Marley. Een stukje geschiedenis.
Bocas stad werd in 1826 gesticht door Britse handelaren die afkwamen op mahoniehout, zeeschildpadden en cacao. Iets later ontstond een florerende bananenindustrie wat veel Jamaicaanse arbeiders naar het eiland zou brengen. Nadat de bananenhandel door de bananenpest van de een op de andere dag was ingestort, was het snel gedaan met de voorspoed van het plaatsje en zou het terecht komen in een soort van van permanente slaaptoestand. Totdat, nog geen 10 jaar geleden, backpackers Bocas herontdekten. En voila, daar zitten we nu.
De setting in het busje is als volgt: twee locals voorin, ik daar achter en daar weer achter een groep van zeven jonge Argentijnen, allemaal een blikje bier in de hand. Een mooi bruggetje om het kosmopolitische karakter van het eiland aan te stippen. Op Bocas kom je, naast veel Amerikanen en ook steeds meer Europeanen, reizigers uit alle windstreken tegen, tot en met het meest zuidelijke puntje van Zuid-Amerika aan toe. Maar wat is nu eigenlijk de aantrekkingskracht van Bocas? Bezienswaardigheden zijn er niet in termen van architectuur. Het is de natuur en in het bijzonder de relaxte sfeer die reizigers als een magneet aantrekt.
Op een smal weggetje langs de zee worden we afgezet. Vier uur in de middag weer verzamelen, geeft de chauffeur ons mee terwijl de reggae nog op de achtergrond klinkt. Ik zet direct koers richting het strand. Ik passeer een strandrestaurantje genaamd Yasisnori waar volgens mijn reisgids heerlijke traditionele visgerechten in kokos op het menu staan. Dat zie ik wel zitten: een heerlijke lunch, een zeebriesje en een ijskoud biertje. Maar eerst het strand.
Het strand van Bocas del Drago, een beschutte baai met wit zandstrand, is smal. Ik loop een aantal kilomers maar het strand wordt nergens breder dan twee meter. De omgeving is het bezoekje zeker waard. Aan mijn rechterkant de vlakke, blauwheldere zee en aan mijn linkerkant het decor van een dichtbegroeid palmbomenwoud. Ooit kwam Columbus hier per boot aan in het jaar 1502, toen nog het leefgebied van de Teribe-indianen.
Bij het restaurant, het is inmiddels drie uur in de middag, ontmoet ik de Argentijnen weer. Een groep van ingenieurs ergens in de twintig afkomstig uit een provinciestadje in het zuiden van Argentinië. Een van de Argentijnen, Pablo, draagt het shirt van de Argentijnse nationale elftal. En waar begin je dan over te praten. Over Messi natuurlijk, de beste voetballer ter wereld en toevallig ook nog eens een Argentijn. Maar deze Argentijnen blijken geen voetballiefhebbers te zijn wat een zeldzaamheid genoemd mag worden in een land waar voetbal religie is en Maradona god in eigen persoon is. Pablo, een sympathieke vent met een baardje, vertelt wel vol enthousiasme over de Europese vrouwen waarbij hij vooral uitwijdt over de Nederlandse en Duitse vrouwen. De Argentijnse vrouwen, zucht Pablo, die praten en praten maar en zijn stuk voor stuk gecompliceerd. Met deze achtergrondinformatie stap ik het busje weer in waar het vertrouwde repertoire me al van ver tegemoet komt. Onderweg wordt Bob alleen onderbroken door de hobbels en gaten in de weg.
’s Avonds ga ik voor een andere specialiteit van Bocas del Toro, het vermaarde barleven. Als het gaat om het nachtleven van Bocas komen altijd twee typeringen terug: relaxte sfeer en laagdrempeligheid. De bar waar ik heen loop heeft een typische Caribische bouwstijl zoals eigenlijk alle huisjes in het dorp: vervaardigd in hout en zeer kleurrijk geschilderd. Terwijl ik een gevaarlijke cocktail bestel, hoor ik achter mij twee Nederlanders praten. Beiden blijken alleen te reizen. En dat geldt zo’n beetje voor iedereen hier, krijg ik het idee. Bocas is gemaakt voor de individuele reiziger. Met inmiddels een aardig clubje Hollanders hoppen we door naar een andere bar - Barco Hundido - volgens kenners de hoofdbar waar elke avond op het eiland wordt afgesloten. Onze enclave trekt ook hier weer nieuwe landgenoten aan. In de hoek bij de bar zie ik een Argentijns voetbalshirt opduiken. ‘Pablo, Que Pasa’, zeg ik. De sympathieke Argentijn zit alleen met een drankje. Vol afgrijzen vertelt hij dat zijn Argentijnse vrienden moe zijn. “Pablo, ik stel je voor aan een Nederlandse dame” zeg ik. Bij Pablo verschijnt een brede grijns op zijn gezicht. Nergens is vrienden maken zo makkelijk als in Bocas del Toro.
Auteur Spaanstalige Wereld (januari 2010)
|